
Mysterieuze schilderijen in Pieter Teylers Huis
In de achterkamer op de eerste verdieping van Pieter Teylers Huis hangt een groep mysterieuze zeventiende-eeuwse schilderijen, waarover nog maar weinig bekend is. In dit verhaal wordt hun oorsprong en betekenis voor een deel ontrafeld.

Pieter Teylers huis.
Pieter Teylers Huis
Het voormalige woonhuis van Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778), de founding father van het museum, bevindt zich aan Damstraat 21. Voor Teyler werd het monumentale pand bewoond door jurist Hendrik Adriaan van der Marck (1726 †), die het pand in 1715 grondig liet verbouwen. Een absoluut hoogtepunt van deze verbouwing is het bewaard gebleven stucwerk in de trappenhal, waar schelpen, olijftaken, rozetten en krullende lijnen het plafond en de wanden sieren. Na de dood van Teyler in 1778 kwam het huis in bezit van Teylers Stichting, en nam de kastelein en opzichter van de kunstverzamelingen er zijn intrek. Ook is het de plek waar Directeuren van Teylers Stichting vergaderden. Sinds 2022 is het volledig gerenoveerde Pieter Teylers Huis open voor het publiek.


Een achterkamer met mysterieuze schilderijen
Om bij de mysterieuze schilderijen in de achterkamer op de eerste verdieping te komen, loopt de bezoeker onder het indrukwekkende stucplafond de monumentale trap op en vervolgens een lange gang door. De achterkamer is gedecoreerd met vier verschillende zeventiende-eeuwse schilderijen boven de deuren: een Italiaans dorpsgezicht en drie schilderijen met een mythologisch onderwerp. Een vijfde werk, een klein schilderijtje met drie cupido's, hangt boven de openhaard en komt uit de negentiende eeuw. Doordat de schilderijen in de achttiende-eeuwse wandbetimmering zijn geplaatst, lijkt het alsof ze bij elkaar horen en speciaal voor deze plek zijn gemaakt. Niets is minder waar: de schilderijen zijn later in het hout geplaatst.

Toegeschreven aan Arnold Houbraken (1660-1719), Mogelijk portret van Gerard Hoet, 128 x 110 mm, rood krijt, Rijksmuseum, inv. RP-T-1897-A-3453.
Een vergeten kunstenaar
In dit verhaal gaan we in op de twee van de drie mythologische schilderijen in de achterkamer, hangend aan de wand tegenover de toegangsdeur van de kamer. Ze zijn geschilderd door de Zaltbommelse kunstenaar Gerard Hoet (1648-1733). Hoet was in zijn tijd beroemd om zijn mythologische en Bijbelse schilderijen. Hij werkte lang in de stad Utrecht, waar hij in 1696 een tekenschool stichtte. De laatste decennia van zijn leven bracht hij door in Den Haag, waar hij onvermoeid bleef schilderen en zelfs op oude leeftijd nog beroemdheid genoot als kunstenaar. Deze afbeelding toont het enige portret dat tegenwoordig bekend is van deze inmiddels vergeten kunstenaar. Overlevering zegt dat collega-kunstenaar Arnold Houbraken (1660-1719) het tekende naar een geschilderd zelfportret van Hoet dat we tegenwoordig niet meer kennen.

Gerard Hoet, Armida ontvoert Rinaldo, 77 x 65 cm, olieverf op doek. Teylers Museum, inv. KS 203.

Gerard Hoet, Armida en Rinaldo, 75,5 x 65 cm, olieverf op doek. Teylers Museum, inv. KS 204.
Rinaldo en Armida
De twee schilderijen in de achterkamer verbeelden scenes uit het epische gedicht Jeruzalem Bevrijdt (Gerusalemme liberata) van de Italiaanse schrijver Torquatto Tasso (1544-1595). Het literaire werk werd in 1575 met succes onthaald en al snel vertaald in verschillende talen. Het gaat over de historische eerste kruistocht, onder leiding van Godfried van Bouillon. De ridders die in het verhaal het Christelijke geloof verspreiden worden tijdens hun missie meerdere keren overvallen door de liefde. Het boek inspireerde componisten, schrijvers en ook schilders.
Met name de verhaallijn van ridder Rinaldo en tovenares Armida was populair onder de schilders. Ook Hoet verbeeldde hun verhaal in deze twee schilderijen. Armida valt het kamp Christelijke kruisvaarders aan om hun belegering van Jeruzalem te stoppen. Op het linker schilderij is te zien hoe Armida de sterkste ridder Rinaldo uit het kamp ontvoert, terwijl hij slaapt. Zie je hoe ze hem vastbindt met bloemranken? Ze neemt hem mee in haar koets, die Hoet op de achtergrond van het schilderij afbeeldde.
Van romantiek is tot dusver nog geen sprake, maar niets is wat het lijkt. Armida wordt verliefd op Rinaldo, en Rinaldo op haar. In het rechter schilderij ligt Rinaldo in Armida’s armen. Hij is zo verliefd dat hij zijn ridderlijke verplichtingen vergeet. De liefde zal echter niet lang duren: in de bosjes, op de achtergrond van het schilderij, verstoppen zich twee ridders: Rinaldo’s kameraden Carlo en Ubaldo. Uiteindelijk weten zij Rinaldo te overtuigen terug te keren naar het legerkamp. Armida’s hart is gebroken.
Een vergeten boodschap
Hoet schilderde veel werken met een moraliserende boodschap. In zijn tijd was men verzot op verhalen met dubbelzinnige, belerende of wijze lessen. De twee schilderijen in de achterkamer horen bij elkaar en verkondigen één boodschap: je moet oppassen voor liefde en passie, want die zijn gevaarlijk. Ze kunnen de mens van het juiste pad doen afdwalen. Het is mogelijk dat de schilderijen in de tijd van Van der Marck en Teyler al in de achterkamer hingen. Deze ruimte werd toen gebruikt als slaapkamer. Precies daar komt de reminder om jezelf niet te verliezen in de liefde, perfect tot zijn recht.
Auteur
Matthies Klink
Bronnen
Fock, C. Willemijn. “Hendrik Adriaan van der Marck en de bouw van de Damstraat 21 te Haarlem, het latere Teylers Fundatiehuis.” Leids KunsthistorischJaarboek 3(1984): 131-156.
Molen, Joh. R. ter. “De Teylers Stichting te Haarlem en haar 18de-eeuwse stichtingsgebouwen.” In ‘TEYLER’ 1778-1978 : Studies enbijdragen over Teylers Stichting naar aanleiding vanhet tweede eeuwfeest , 119-209 (Haarlem/Antwerpen: Schuyt & Co NV, 1978).
Becker, Felix , en Ulrich Thieme. Allgemeines Lexikon der bildendenKünstler : von der Antike bis zur Gegenwart , vol. 17. Leipzig: Seemann, 1924.
Oosterman, Johan. “Vergeten en hervonden Gerusalemme liberata in het Nederlands.” Literatuur 20(2003): 6-8.
Moes, E.W. Iconographia Batava;beredeneerde lijst vangeschilderde engebeeldhouwde portretten vanNoord-Nederlanders in vorigeeeuwen , vol. 1. Amsterdam: F. Muller & Co, 1897.