
Nederlandsche vogelen (1770-1829)
Een monsterproject op het snijvlak van kunst en wetenschap
Tegenwoordig waant iedereen zich een vogelkenner. Er zijn gidsen, websites en speciale apps waarmee je gemakkelijk vogels kunt herkennen. In de 18de eeuw was dat wel anders. Pas in 1770 werd door Cornelis Nozeman (1720-1786) en Christiaan Andreas Sepp (1710-1775) gestart met een boekproject om alle Nederlandse vogels in kaart te brengen. 'Nederlandsche vogelen' (1770-1829) zou uitgroeien tot het eerste overzicht van alle in Nederland bekende vogelsoorten op dat moment in tekst en beeld. Nog altijd is het een van de belangrijkste en indrukwekkendste publicaties op het gebied van de ornithologie in de Nederlanden.

Deze luxe uitgave bestond uit vijf dikke foliodelen met meer dan 250 met de hand ingekleurde kopergravures. Voor het complete werk betaalde je zo’n vijfhonderd gulden - een fortuin in die tijd. Het was een prestigeobject voor rijke liefhebbers en geleerden. Niet om mee te nemen op vogelexcursie, maar om rustig door te bladeren in de studeerkamer. Teylers Museum is in bezit van een compleet en prachtig ingekleurd exemplaar. In 2025 verwierf het museum ook een aantal ontwerptekeningen op royaal formaat voor de prenten in deze publicatie. Daardoor krijgen we een mooi inkijkje in het maakproces van deze publicatie. Het laat bovendien zien hoe nauw kunst en wetenschap in de 18de eeuw met elkaar verweven waren.

Wybrand Hendriks, Purperreiger, in deel IV van Nederlandsche vogelen, ingekleurde gravure, Teylers Museum.
Samenwerking
Nederlandsche vogelen verscheen tussen 1770 en 1829 in losse afleveringen, die later samengebonden konden worden tot vijf boekdelen. Het was een monsterproject waar gedurende bijna zestig jaar door allerlei mensen aan werd gewerkt: uitgevers, auteurs, tekenaars, graveurs en inkleurders. De meeste ontwerptekeningen voor de prenten waren van Sepp en zijn zoon Jan Christiaan Sepp (1739-1811), terwijl de beschrijvingen door Nozeman en later Martinus Houttuyn (1720-1798) werden geleverd. Daarnaast is bekend dat de kunstschilders Nicolaes Muys (1740-1808), Johann Heinrich Wilhelm Tischbein (1751-1829) en niemand minder dan Wybrand Hendriks (1744-1831), een van de eerste conservatoren van Teylers Museum, aan dit project verbonden zijn geweest. Voor deel vier van de publicatie leverde hij het ontwerp voor de purperreiger.

Christiaan Andreas Sepp of Jan Christiaan Sepp, Twee groene spechten, penseel en waterverf, over een schets in potlood op papier, Teylers Museum.

Christiaan Andreas Sepp of Jan Christiaan Sepp, Gewone huisduif, penseel en waterverf, over een schets in potlood op papier, Teylers Museum.
Naar het leven
Volgens de titelpagina zijn alle vogels ‘naar het leven’ gemaakt. Dat betekent trouwens niet dat de kunstenaars ze rechtstreeks naar levende dieren tekenden - dat gebeurde maar zelden. Meestal werkten ze naar dode of opgezette exemplaren, afkomstig uit het veld, van de vogelmarkt of uit de kabinetten van rijke verzamelaars. De vogels zijn natuurgetrouw en op ware grootte afgebeeld, met veel aandacht voor de kleuren en structuren van hun verenkleed. In de tekening met de groene spechten zijn de groengele veren bijvoorbeeld uiterst verfijnd in waterverf uitgewerkt. Ook de gewone huisduif is met grote zorg getekend: de iriserende halsveren komen tot leven in subtiele roze en groene tinten.

Christiaan Andreas Sepp of Jan Christiaan Sepp, Scholekster, penseel en waterverf, over een schets in potlood op papier, Teylers Museum.

Christiaan Andreas Sepp of Jan Christiaan Sepp, Scholekster, in deel I van Nederlandsche vogelen, ingekleurde gravure, Teylers Museum.
Deze tekeningen speelden een sleutelrol bij het maken van de prenten. Ze waren niet alleen het ontwerp, maar ook de leidraad voor het inkleuren. Zo bleef het eindresultaat zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid - een essentieel uitgangspunt voor een wetenschappelijke publicatie. Toch werden de tekeningen niet altijd één op één overgenomen. Op de ontwerptekening van de scholekster staat bijvoorbeeld een trompe-l’oeil van een ei op een vaandel. In de uiteindelijke prent ligt datzelfde ei juist op de voorgrond, een meer natuurlijke plek omdat deze soort doorgaans eieren legt in een ondiep kuiltje in de duinen. Bovendien is de scholekster in de prent in zijn eigen leefomgeving neergezet, midden tussen zijn favoriete kost: schelpdieren en kreeftachtigen.

Jan Christiaan Sepp, Sneeuwgors, in deel IV van Nederlandsche vogelen, ingekleurde gravure, Teylers Museum.
Martinus Houttuyn
Dit voorbeeld laat zien dat het hele proces - van ontwerptekening tot ingekleurde gravure - stevig in handen was van Sepp en Nozeman. Hun doel was duidelijk: alle vogels zo natuurgetrouw mogelijk afbeelden, liefst in hun eigen leefomgeving. Vooral de eerste twee delen weerspiegelen hun ideeën over hoe je de levende natuur in eigen land moest bestuderen en in beeld brengen. Na de dood van Nozeman nam de arts en bioloog Martinus Houttuyn de beschrijvingen voor zijn rekening. Hij was geen veldonderzoeker zoals Nozeman, maar bestudeerde vogels vooral aan de hand van boeken en opgezette exemplaren in zijn eigen kabinet. Dat verschil zie je terug in de illustraties: de vogels staan vaak op een eenvoudig grondje of een boomstronk, tegen een witte achtergrond.
Nederlandsche vogelen is niet te vergelijken met de moderne vogelgidsen die vaak zijn geordend op uiterlijke kenmerken; je kunt er tijdens een vogelexcursie weinig mee. Het is een luxe uitgave, gemaakt voor rijke verzamelaars en liefhebbers, een echte samenwerking tussen wetenschappers en kunstenaars. De prenten zijn niet alleen prachtig om naar te kijken, maar geven ons ook een uniek kijkje in welke vogelsoorten in de 18de en 19de eeuw in Nederland voorkwamen en wat mensen er destijds van wisten.
Auteur
Marleen Ram, conservator Kunstverzamelingen.